Regelgeving opslag van lithium-ion energiedragers

Op 1 juli 2020 is in de Staatscourant de Circulaire Lithium-ion energiedragers gepubliceerd waarmee de inhoud een bepaalde status krijgt. Vooruitlopend op regelgeving en in afwachting van de totstandkoming van de PGS-37 bevat de circulaire adviezen om de veiligheid in de omgeving van de toepassingen van de lithium-ion energie-dragers te verhogen. De circulaire heeft geen bindend karakter en kan daarom niet meer dan richtinggevend zijn en is niet afdwingbaar. Uiteraard is wel sprake van afdwingbaarheid als de adviezen uit de circulaire door het bevoegd gezag worden omgezet in voorschriften of regels in omgevingsvergunning, bestemmingsplan of omgevingsplan.

Bij de opslag van energiedragers gaat het om cellen of batterijen die buiten de gebruiksfase verkeren. Buiten de reikwijdte van de circulaire vallen daarmee de energiedragers die gemonteerd zijn in de gebruikstadium verkerende elektronica, gereedschap, of vervoermiddelen, zoals in gebruik zijnde scootmobielen, fietsen of auto’s. Bedrijfsmatig of particulier gebruik van bijvoorbeeld voertuigen, scooters of fietsen of gereedschap met lithium-ion energiedragers valt buiten de reikwijdte van de circulaire. Het gaat daarbij om regulier eigen gebruik, door de eigenaar zelf of werknemers. Ook buiten de reikwijdte vallen energiedragers in parkeerplaatsen, parkeergarages en fietsenstallingen of een of enkele reserve-energiedragers, die bedoeld zijn voor directe montage in een apparaat (denk aan een reserve-energiedrager voor een stuk gereedschap).Deze circulaire heeft wel betrekking op opgeslagen lithium-ion energiedragers als deze in apparaten zijn gemonteerd, voor zover deze apparaten niet in de gebruiksfase zitten.

In de circulaire worden voor intacte energiedragers ondergrenzen aangehouden om de reikwijdte te bepalen. Daarbij wordt voor de opslag van energiedragers onderscheid gemaakt tussen enerzijds intacte cellen met een capaciteit per cel tot en met 20 Wh of intacte batterijen met een capaciteit per batterij tot en met 100 Wh en anderzijds intacte energiedragers met een grotere capaciteit. Voor de eerstgenoemde categorie is de circulaire van toepassing bij een hoeveelheid van 1.000 kg of meer per brandcompartiment of andere opslagvoorziening. Voor de grotere energiedragers is de circulaire van toepassing als er per brandcompartiment of andere opslagvoorziening 333 kg of meer wordt opgeslagen. De gewichten gelden inclusief de omhulling van de energiedrager, maar exclusief de (transport)verpakking.

In deze circulaire wordt als vuistregel gehanteerd dat een brandcompartiment maximaal 10.000 kg energiedragers herbergt en een maximaal oppervlak heeft van 300 m2. Dit laatste omwille van beperking van het brandoppervlak en de bereikbaarheid voor de brandweer. Als niet meer dan 10.000 kg per opslagvoorziening aanwezig is, betekent dit overigens ook dat er geen vergunningplicht aan de orde is op grond van het Bor, bijlage I, categorie 4.4, onder j. Wel geldt een meldingsplicht op grond van artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit. Bijvoorbeeld om redenen van haalbaarheid en betaalbaarheid kan wel sprake zijn van een vergunningplichtige situatie (waarbij er dus meer dan 10.000 kg in een opslagvoorziening is geplaatst of er met een oppervlak groter dan 300 m2 wordt gewerkt). Voor gevallen waarin meer dan 10.000 kg per brandcompartiment of een groter oppervlak dan 300 m2 wordt opgeslagen, wordt maatwerk geadviseerd met advies van de Veiligheidsregio of brandweer.

Bij een opslagvoorziening die als apart brandcompartiment is ingericht is het uitgangspunt dat een brand snel gedetecteerd en in een beginstadium beheerst wordt. Om die reden is een vastopgesteld automatisch blussysteem aanwezig. De automatische systemen zijn bijvoorbeeld: een sprinklerinstallatie of een deluge-installatie7 of alternatieven zoals de toepassing van aerosolen. De installatie moet daarbij gecertificeerd zijn en aantoonbaar een lithium-ion brand in een beginstadium kunnen beheersen. De automatische installatie moet hierbij ook bewerkstelligen dat er geen uitbreiding plaatsvindt naar de naastgelegen opgeslagen energiedragers binnen het brandcompartiment. De systemen die kunnen worden toegepast in een opslagvoorziening en de eisen waaraan deze systemen moeten voldoen, zijn verder uitgewerkt in de PGS-148. Naast een koel-/blussysteem is er een voor dat systeem geschikte branddetectie. Een thermisch detectiesysteem zorgt voor een snelle melding bij het ontstaan van een oververhitting en een (kruisgevoelige) koolmonoxide melder detecteert ook in een vroeg stadium vrijkomend waterstofgas. Om die reden worden beide systemen aangeraden, waarbij tevens een doormelding plaatsvindt naar een continu bezette particuliere alarmcentrale (PAC).
De PGS-37 zal in de loop van 2021 voltooid worden. Het is de bedoeling de PGS-37 op dat moment onder de Omgevingswet in het Besluit activiteiten leefomgeving, Bal) van toepassing te verklaren.  Op zoek naar deskundig PGS15 advies en adviseur? Neem contact met ons op.

Blusgassystemen vragen om extra maatregelen

Blusgassystemen zijn binnen West Europa in toenemende mate populair als VBB-systeem binnen de opslagen met gevaarlijke stoffen. Dat is echter niet zonder risico’s. Bij het ontstaan van brand treden er risico’s op voor de in de ruimte aanwezige personen (rookgassen, ontledingsproducten en hitte). Er worden speciale eisen gesteld aan de persoonlijke veiligheid in relatie tot het inbrengen van het blusgas. Hiervoor is in Nederland een aparte brancherichtlijn van de Specifieke Veiligheidsinformatie (SVI) ‘Blussystemen, veiligheidsaspecten’ ontwikkeld, waarin technische maatregelen staan omschreven. De basisgedachte hierbij is dat iedereen de ruimte (en/of de aangrenzende ruimte) moet hebben verlaten voordat de uitstroom van blusgas plaatsvindt. Binnen het Knelpuntenonderzoek Gecontroleerd vluchten uit een gebluste omgeving, uitgevoerd door de VNCW, wordt gezocht naar aanvullende maatregelen om de risico’s nog verder terug te dringen.

Soms gaat het fout. Incidenten met dodelijke afloop met een gasblusinstallatie binnen een warehouse omgeving zijn nauwelijks voorgekomen. In ons onderzoek stuitten we op een dodelijk ongeval bij de University of Iowa in de Hazardous Waste Storage Facility (1994). Dat betekent niet dat het ongewild afgaan van systemen weinig voor komt. Hiervan zijn diverse voorbeelden, ook in Nederland, bekend. Dat dit nog niet geleid heeft tot  dodelijke slachtoffers is vooral een goed teken. Meer incidenten zijn bekend in andere omgevingen en ook deze signalen moeten we meenemen. In een automatische parkeergarage onder een appartementencomplex aan de Markendaalseweg in Breda raakte begin februari 2020 een man zwaargewond door een CO2-blusinstallatie. De man was in de parkeergarage aanwezig toen het blussysteem met CO2-gas in werking ging. Hierdoor kreeg hij geen zuurstof meer en raakte hij buiten bewustzijn. De man werd door de brandweer uit de ruimte gehaald en gereanimeerd door de hulpdiensten. Hij werd met spoed naar het ziekenhuis vervoerd, maar was wel aanspreekbaar.

Aan boord van zeeschepen wil het nogal eens fout gaan. In Mei 2019 vielen 10 doden aan boord van een Chinees vrachtschip.

Een studie van het Amerikaanse Environmental Protection Agency toonde een inventarisatie van ongevallen met CO2-lekken bij blussystemen tot en met 1999. Dat onderzoek laat een 119 doden zien op internationaal niveau en 152 gewonden. Statistieken na 1999 ontbreken helaas. Daarbij is het lastig om gegevens uit China te verzamelen.

Een blusgassysteem is opgebouwd uit een voorraad blusgascilinders en/of -tanks die zijn opgesteld in of nabij de te blussen ruimte. Dit kan zowel binnen als buiten het gebouw zijn. Aan deze opstellingsruimte zijn veiligheidseisen gesteld conform de SVI-publicaties. Ieder systeem is voorzien van een leidingwerk waardoor via ‘nozzles’ het blusgas in de te blussen ruimte wordt afgeblazen. Dit leidingwerk is een zogenaamd open leidingsysteem. Dit moet met behulp van een voor het desbetreffende systeem geschikt softwarepakket worden ontworpen en hydraulisch berekend. Onderzoek van de onderzoeksgegevens laat zien dat het vooral fout gaat tijdens onderhouds- of testfasen. Daarnaast waren er incidenten door het gebrek aan informatie en onvoldoende training van het personeel over de CO2-risico’s.

Wanneer we naar een gevaarlijke stoffen opslag kijken hebben we rekening te houden met veel criteria. Blusgas is alleen toe te passen in een gesloten ruimte als volumebeveiliging, waarbij rekening moet worden gehouden met een RWA. Bovendien is het niet toepasbaar bij zuurstof genererende stoffen en niet toepasbaar bij kernbranden. Bij het gebruik van blusgas moet er extra aandacht zijn voor persoonlijke veiligheid en omliggende ruimten.

Voor sommige risicogroepen geldt echter een verhoogd risico voor de gezondheid:

  • Bij chemische blusgassen bestaan deze nadelige effecten in de eerste plaats uit hartritmestoornissen.
  • Bij de inerte blusgassen treden in de eerste plaats ademhalingsstoornissen op en bij hogere concentraties verstikking.
  • Bij kooldioxide treedt bij lage concentraties verstoring in de bloedsomloop op en bij hogere concentraties verstikking.

De concentratie in een gevaarlijke stoffen opslag is vaak zo hoog dat, zeker bij een volledige Co2 blussing, deze concentratie zeer waarschijnlijk dodelijk zal zijn. In het onderzoek, dat zich inmiddels in een afrondende fase bevindt, wordt daarom vooral op dit soort systemen gericht. Doel van het onderzoek is om, naast de bestaande veiligheidsmaatregelen, met nog meer aanvullende maatregelen te komen. Dat zal er voor kunnen zorgen dat iedereen binnen de gebluste omgeving de gelegenheid krijgt veilig te kunnen laten vluchten uit de opslagruimte.

 

PGS15 Nieuwe Stijl en Omgevingswet laten nog even op zich wachten

Recent maakte de NEN bekend dat er een interim-versie van de PGS15 naar Brussel is gestuurd samen met de Omgevingswet. Een eis van de Europese Unie waarbij toetsing plaats vindt om te bepalen dat de wetgeving geen marktbeperkingen met zich mee brengen. Met het uitkomen van de interim-versie is duidelijk dat de PGS15 Nieuwe stijl nog even op zich laat wachten. Dat is overigens ook zo met de invoering van de Omgevingswet.

De Omgevingswet gaat zoals verwacht niet op 1 januari 2021 in. Als reden wordt opgegeven dat het uitstel nodig is „mede gezien de veranderende realiteit als gevolg van het coronavirus”. Echter was uitstel was al onvermijdelijk, omdat de belangrijkste software niet rond die tijd gereed zou zijn. Met een digitale infrastructuur die niet klaar is en ook niet op tijd getest zou zijn was het al raadselachtig hoe de lancering op tijd plaats zou hebben gevonden. Ook de PGS15 is nu als interimversie naar Brussel gestuurd met de Omgevingswet. De vorig jaar gepubliceerde PGS15 Nieuw stijl bleek niet op tijd gereed te kunnen zijn, waarna besloten werd om de PGS15:2016 versie Bal proof te maken en deze als interimversie in te sturen.

Ook op zoek naar PGS15 advies.

Explosieveiligheid in PGS15 opslagen

Binnen PGS15 richtlijn zijn de regels voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen vastgelegd. Die gevaarlijke stoffen vormen een potentiéle bedreiging voor mens en/of milieu wanneer ze vrij komen. Ook de kans op een explosie is niet ondenkbaar. Explosieveiligheid is geregeld in de Europese ATEX-richtlijn. De Nederlandse Arbeidsinspectie / Inspectie SZW heeft t.a.v. zogenaamde UN gekeurde verpakkingen zonder ontluchtingsventiel een standpunt ingenomen ten aanzien van explosie-veiligheid. De voorwaarden die gesteld worden zijn echter breder dan vaak gelezen worden.

Het standpunt betekent dat bij het indelen van een PGS 15 opslag in gevarenzones, UN gekeurde verpakkingen zonder ontluchtingsventiel niet gezien worden als secundaire gevarenbron. Dit standpunt is een verduidelijking van de NPR 7910-1. In het geval van een PGS 15 opslag met alleen verpakkingen die voldoen aan dit UN keur,kan dit leiden tot een indeling in de categorie: ‘Niet Gevaarlijk Gebied’. De Arbeidsinspectie is dus van mening dat onder normale omstandigheid binnen een bedrijf met UN gekeurde verpakkingen voor brandbare stoffen zonder ontluchtingsventiel deze niet als secundaire bron behoeven te worden aangemerkt en het belangrijkste gevolg hiervan is dat tijdens normaal bedrijf geen explosieveilig materieel gebruikt hoeft te worden. In loodsen met opslag van brandbare stoffen in dergelijke UN gekeurde verpakkingen, hoeft dus geen gebruik te worden gemaakt van explosieveilige heftrucks tijdens normale bedrijfsomstandigheden, noch zijn andere maatregelen ter beperking van explosiegevaar in geval van het normale bedrijf noodzakelijk. Zoals aangegeven vallen UN gekeurde verpakkingen met ontluchtingsventiel, IBC-verpakkingen die buiten de beproevingstermijn worden gebruikt en andere niet gekeurde verpakkingen niet binnen deze regeling en is er sprake van secundaire gevarenbronnen. Ook bij de opslag van aanstekers moet rekening gehouden worden dat ze niet onder deze regeling vallen. Overigens geldt dit standpunt ook voor verpakkingen die vallen onder het LQ-regime (Limited Quantities).

Het blijft voor bedrijven overigens altijd noodzakelijk om in het kader van explosieveiligheid rekening te houden met calamiteiten, zoals het lek steken van een vat met de lepels van een heftruck of het vallen van een vat uit een stelling. En met name op dit punt ontbreekt de belangrijkste schakel. Er zal alsnog over explosieveiligheid nagedacht moeten worden wanneer er brandbare stoffen opgeslagen worden. Bij het vrij komen van brandbare stoffen kan er zich een damp ontwikkelen die potentieel tot een explosie kan leiden. Dit betekent dat er bij de bouw al rekening gehouden moet worden met betrekking tot alle installaties (deuren, noodverlichting etc) die in stand (moeten) blijven bij een incident. Naast dat er nagedacht moet worden over de inrichting moet er een koppeling gelegd worden met de noodscenario’s. Alles wat uitgezet kan worden bij een incident dat een explosie kan veroorzaken moet uitgezet worden. Dat moet procedureel geborgd zijn. Tevens moet geborgd zijn dat bij een spill ook door hulpverleners geen explosie veroorzaakt wordt. Heeft u assistentie nodig bij het opstellen van een explosieveiligheidsdocument, vastleggen van een beschouwing of de implementatie in noodprocedures zoals hierboven beschreven. Neem dan contact met ons op.

 

Uw PGS15 adviseur legt uit: WBDBO en vuurbelasting

Binnen de PGS15; de richtlijn voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen worden verschillende termen zoals WBDBO en vuurbelasting aangehaald die wij hier graag nader duiden.

Onder de vuurbelasting verstaan we de hoeveelheid warmte per eenheid vloeroppervlakte die vrij komt bij volledige verbranding van alle in de ruimte of in het gebouw aanwezige brandbare materialen, inclusief materialen in de constructieonderdelen die zich binnen die ruimte of dat gebouw bevinden, dan wel deze begrenzen.  Als eenheid voor de vuurbelasting geldt (mega)joule per vierkante meter nettovloeroppervlakte. De vuurbelasting is deels bepalend voor de duur van een brand in een ruimte of in een gebouw. Om een indicatie te krijgen van de duur van een brand kan worden gewerkt met de maatstaf ‘Kilogram vuren per m2’.

De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO), een belangrijk begrip in de PGS15, is de kortste tijd die een brand nodig heeft om zich uit te breiden van de ene ruimte naar de andere ruimte onder standaardomstandigheden. Brandoverslag is een uitbreiding van brand van een ruimte naar een andere ruimte uitsluitend via de buitenlucht. Branddoorslag is de uitbreiding van brand van een ruimte naar een andere ruimte anders dan via de buitenlucht. Brandoverslag en branddoorslag worden beide uitgedrukt in minuten. Dit is echter voor bandoverslag niet een echte tijdsduur. Bij brandwerendheid ligt er wel een directe koppeling in tijdsduur (testen).

Bent u op zoek naar PGS15 advies van een adviseur? Raadpleeg ons.

Een Amerikaanse brandveiligheidskast is nog geen Europese conform de 14470

Van tijd tot tijd duikt er een Amerikaanse brandveiligheidskast op marktplaats op. Iedereen die dan denkt goedkoop uit te zijn kan echter bedrogen uitkomen. Als PGS15 adviseur informeren wij u hier graag over.

In het kort kunnen we zeggen dat dat een Amerikaanse brandveiligheidskast niet voldoet aan de PGS 15. De PGS15 stelt een aantal eisen aan de brandveiligheidskast, waardoor een Amerikaanse kast in basis nooit zal voldoen. Voor de brandveiligheidsopslagkasten is de norm NEN-EN-14470-1 van toepassing met een minimale prestatie van 30 minuten.

De Amerikaanse kast is getest volgens de NFPA 30 en om een idee te geven van de brandwerendheid:

Storage cabinets designed and constructed to limit the internal temperature at the center of the cabinet and 1 in. (25 mm) from the top of the cabinet to not more than 325°F (163°C), when subjected to a 10-minute fire test that simulates the fire exposure of the standard time–temperature curve specified in ASTM E 119, Standard Test Methods for Fire Tests of Building Construction and Materials, shall be acceptable.

Dit komt dus overeen met een prestatie van 10 minuten. Dat is dus niet voldoende.

In geval van een brand dient de kast bovendien volledig zelfsluitend te zijn vanuit elke positie. Ook hieraan zullen de meeste kasten niet voldoen.

Ook de vereiste handleiding ontbreekt vaak. De producent/leverancier dient bij de veiligheidsopslagkast mee te leveren een handleiding met informatie, welke
minimaal het volgende moet bevatten:

a) de maximale beladingcapaciteit van ieder afzonderlijk legbord (zie 5.5) en van de volledige kast;
b) het maximale volume, in liters, van de grootste emballage dat mag worden opgeslagen in de kast (zie 5.6):
c) de capaciteit aan opvang lekvloeistoffen, in liters;
d) een waarschuwingsverklaring dat extreme voorzorgsmaatregelen in acht moeten worden genomen bij het openen van de kast na een brand;
e) een lijst met onderdelen, welke op een routinebasis moeten worden gecontroleerd en/of vervangen;
f) instructies aan de gebruiker om op de kast aan te geven indien de kast functioneert zonder aangesloten te zijn op een extern ventilatiesysteem;
g) instructies aan de gebruiker om te controleren dat de aansluiting van het ventilatiesysteem, indien aangesloten, correct is gedaan, bijvoorbeeld door gebruik van rookbuisjes;
h) kennisgeving aan de gebruiker dat, indien geforceerde ventilatie niet is aangesloten, de onmiddellijke omgeving rond de kast moet worden gezien als een gevaarlijke zone;
i) instructies aan de gebruiker om de opvangbak niet te benutte voor opslag;
j) aanbeveling aan de gebruiker voor het regelmatig uitvoeren van inspecties en onderhoud en de aanbevelingen voor onderhoudsintervallen:
k) de leveranciersverklaring van conformiteit of het certifica(a)t(en) van conformiteit van het testinstituut.

Als PGS15 adviseur kunnen wij u van het nodige PGS15 advies voorzien.

Best practice voor veilige chemische PGS15 opslag

De branchevereniging voor de PGS15 opslag VNCW heeft de afgelopen zes maanden samen met een aantal leden hard gewerkt aan een Best practice Behavior Based Safety Warehousing. Doelstelling is de veiligheid in de gevaarlijke stoffen opslagen verder te vergroten door een leidraad op te stellen. De Best practice is nu definitief geworden en beschikbaar gesteld.

In deze best practice wordt een overzicht gepresenteerd van gedragsinterventies die zich hebben bewezen in de praktijk. Daarbij zal men merken dat sommige interventies zich puur richten op directe gedragsbeïnvloeding. Maar veel interventies dragen tegelijkertijd ook bij aan het ontwikkelen van normen en waarden. Opgeteld leiden de interventies tot ontwikkeling en versterking van het veiligheid bewustzijn in brede zin binnen de magazijnen.

Als vereniging voor de PGS15 opslag maakt de VNCW zich voortdurend hard veiligheid onder de aandacht te brengen; enerzijds door te laten zien dat een veilige PGS15 opslag op de eerste plaats komt bij haar leden en anderzijds door de leden tools aan te reiken waarmee veilig werken binnen de opslagen verder kan toenemen.

De Best practice is gratis te downloaden via  www.vncw.nl/VNCW-Best-Practice-BBS-Warehousing.pdf

 

Opslag gevaarlijke stoffen in de verkoopruimte

De opslag van gevaarlijke stoffen in verpakte vorm is geregeld in de PGS15. Daarbij is er een ondergrens gegeven en uitzonderingen. Toch is er nogal eens onduidelijk of de verkoop in een winkel evenzo onder de PGS15 valt.

De opslag van verpakte gevaarlijke stoffen in verkoopruimten is geregeld in artikel 4.8 van de ministeriële regeling van het Activiteitenbesluit.

In het Activiteitenbesluit wordt onder Artikel 4.8 drie opties gegeven. Er kan een beperkte hoeveelheid verpakte gevaarlijke stoffen in een verkoopruimte opgeslagen worden (lid 2b). Daarnaast (en aanvullend) is het mogelijk om de verpakte gevaarlijke stoffen in een PGS 15-opslagvoorziening te plaatsen (lid 2a). Of het bedrijf kan bij het bevoegd gezag een verzoek tot maatwerk indienen (lid 4).

De maximaal toegestane hoeveelheden verpakte gevaarlijke stoffen in de verkoopruimte zijn weergegeven in tabel 4.8. Er kan gekozen worden voor het gebruik van lekbakken onder vloeistoffen van ADR-klasse 3, waardoor meer gevaarlijke stoffen mogen worden opgeslagen. Zonder lekbakken mag volgens tabel 4.8 maximaal 300 liter van ADR-klasse 2 en 3 opgeslagen worden in een verkoopruimte, met lekbakken gezamenlijk maximaal 800 liter.

Bij II gaat het om de totale hoeveelheid stoffen van klasse 2 èn 3 samen. Dat betekent dat opgeslagen mag worden:

  • 800 liter aan ADR-klasse 2 stoffen als er alleen ADR klasse 2 opgeslagen wordt;
  • 800 liter aan ADR-klasse 2 of 3 stoffen als de ADR-klasse 3 boven een lekbak opgeslagen worden;
  • 300 liter aan ADR-klasse 2 of 3 stoffen als er ook ADR-klasse 3 stoffen aanwezig zijn die niet boven een lekbak staan.

De maximaal toegestane hoeveelheden moet worden beperkt als boven de verkoopruimte een ruimte aanwezig is van derden met een woon-, bijeenkomst-, onderwijs- en/of logiesfunctie. Dan is respectievelijk maximaal 150 en 300 liter toegestaan. Wanneer de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) tussen deze bovenliggende ruimte en de verkoopruimte minder dan zestig minuten bedraagt, worden deze toegestane hoeveelheden verder gereduceerd tot respectievelijk 75 en 150 liter.

Daarnaast mag 8.000 liter aan verf in metalen blikken worden opgeslagen (ADR 3). De niet-ADR geclassificeerde verven worden bij deze 8.000 liter niet meegerekend.

Vanaf 125 liter (waterinhoud) moet u een PGS15 opslag

Bij een PGS15 opslag denkt menigeen aan een groot opslagmagazijn met vaten doodskoppen. Hoewel Nederland ook magazijnen met vaten met doodskoppen telt bestaat het merendeel van de magazijnen uit de opslag van meer onschuldige ogende inhoud, zoals verf, spuitbussen met deoderant en WD40.

Veel bedrijven en instellingen zijn er zich niet van bewust dat ze ook een PGS15 opslag moeten hebben. Toch is de ondergrens van de PGS15 al snel bereikt en dan moeten voorzieningen getroffen worden. Voor de opslag van gasflessen is de ondergrens al bij 125 liter waterinhoud. Bij meer dan 2 gasflessen van 60 liter waterinhoud is een PGS15 opslag al verplicht. Bent u op zoek naar een specialist gevaarlijke stoffen voor het nodige advies informeer dan hier of hier.

Een brandveiligheidskast conform de PGS15

NEN-EN-14470-1 kent vier categorieën van brandwerendheid, te weten 15 min, 30 min, 60 min en 90 min. Afhankelijk van de toepassing van een brandveiligheidsopslagkast moet gekozen worden voor een bepaalde veiligheidsklasse (30, 60 of 90). In bijlage F is ingegaan op de verschillende eisen die bij de desbetreffende veiligheidsklassen behoren. Voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen die onder PGS 15 vallen is het type met 15 min brandwerendheid niet geschikt.

Een brandveiligheidsopslagkast, waarvan het eerste gebruik heeft plaatsgevondenvna 1 januari 2006, moet aan NEN-EN-14470-1 voldoen. Een brandveiligheidsopslagkast waarvan het eerste gebruik dateert van vóór die datum moet ten minste voldoen aan NEN 2678. Bij het gebruik van de brandveiligheidsopslagkasten moet tevens worden voldaan aan de eisen van bijlage F. Brandveiligheidskasten met een opslagcapaciteit groter dan 250 kg of ter plaatse gebouwde kasten moeten als een reguliere opslagvoorziening conform Hoofdstuk 3 van deze PGS worden beschouwd.

Binnen de inrichting moet een productcertificaat aanwezig zijn voor de brandveiligheidsopslagkast (waarvan het eerste gebruik heeft plaatsgevonden na 1 januari 2006), waaruit blijkt dat deze voldoet aan de NEN-EN-14470-1

Facebook
Facebook
Twitter
Visit Us